Blog – Hoe train je de galopbeweging? (deel 3)

De galopbeweging is een specialistische gang. Dat betekent dat het niet zomaar een snelle manier van bewegen is, maar een goed georganiseerde beweging waarbij elk lichaamsonderdeel een eigen rol heeft. Om de galop efficiënt en veilig uit te voeren, moeten al die onderdelen in de juiste volgorde samenwerken.

Blog - Hoe train je de galopbeweging? (deel 3)

De galopbeweging is een specialistische gang. Dat betekent dat het niet zomaar een snelle manier van bewegen is, maar een goed georganiseerde beweging waarbij elk lichaamsonderdeel een eigen rol heeft. Om de galop efficiënt en veilig uit te voeren, moeten al die onderdelen in de juiste volgorde samenwerken.

Het doel van training is daarom niet alleen dat de hond kan galopperen, maar vooral dat hij de juiste galopbeweging automatiseert. De beweging moet uiteindelijk zo vanzelfsprekend worden dat het lichaam deze snel, gecontroleerd en zonder nadenken kan uitvoeren.

De juiste volgorde in de galopbeweging

Bij het trainen van de galopbeweging is het belangrijk om te begrijpen welke onderdelen elkaar opvolgen. De kwaliteit van de beweging ontstaat namelijk door de juiste timing tussen de voorhand, de rug en de achterhand.

De voorhand speelt een belangrijke rol in de eerste contactfase. Op het moment dat de voorzijde van het lichaam contact maakt met de grond, vraagt dit om coördinatie, lenigheid en controle. De hond moet de beweging kunnen opvangen en voorbereiden op de volgende fase.

Daarna is de sagitale rugbeweging van groot belang. Hiermee bedoelen we de beweging van de rug in de lengte-as van het lichaam. In de galop moet de hond zijn rug sterk kunnen bollen. Dat extreme bollen is nodig om goed te kunnen verzamelen en het lichaam compact te maken.

Deze compacte houding is zichtbaar in de verzamelde zweeffase. In deze fase komt het lichaam samen. De hond organiseert zichzelf, brengt de achterhand onder het lichaam en bereidt zich voor op de afzet.

Vervolgens komt de achterhand in actie. Om krachtig te kunnen afzetten, moeten alle gewrichten in de achterhand goed kunnen buigen. Die buiging is nodig om kracht op te bouwen en vervolgens gericht los te laten in de tweede contactfase: het afzetmoment.

 

Eerst aanleren, daarna automatiseren

Een goede galopbeweging ontstaat niet door de hond simpelweg veel te laten rennen. De beweging moet eerst goed worden aangeleerd. Pas daarna kun je werken aan het automatiseren ervan.

Dat automatiseren gebeurt door herhaling met kwaliteit. Je traint daarmee het spiergeheugen: het lichaam leert welke beweging op welk moment nodig is. Wanneer dit steeds beter wordt opgeslagen, kan de hond de galopbeweging sneller en vanzelfsprekender uitvoeren.

Van daaruit ontstaat ook meer handelingssnelheid. De hond kan dan sneller reageren, bijsturen en schakelen, zonder dat dit ten koste gaat van controle of techniek.

Coördinatie als basis

Bij het trainen van de galopbeweging is coördinatie de basis. De hond moet leren om de verschillende onderdelen van zijn lichaam op het juiste moment in te zetten. Pas wanneer die coördinatie voldoende aanwezig is, kun je andere grondmotorische eigenschappen toevoegen.

Daarna kun je gerichter werken aan kracht, vooral in de achterhand. Een krachtige achterhand is belangrijk voor een goede afzet en voor het dragen van de beweging.

Daarnaast is lenigheid essentieel, met name in de voorhand en in de sagitale rugbeweging. De voorhand moet soepel genoeg zijn om de beweging goed op te vangen en door te laten lopen. De rug moet voldoende kunnen bollen om tot een goede verzameling te komen.

Training van de galopbeweging vraagt dus om een logische opbouw: eerst coördinatie, daarna kracht en lenigheid toevoegen, en vervolgens werken aan snelheid en automatisering.

Hoe leer je dit aan?

Een praktische manier om de galopbeweging aan te leren, is door gebruik te maken van de sprongbeweging. Springen en galopperen zijn namelijk nauw met elkaar verbonden. De beweging die een hond maakt tijdens het springen, lijkt sterk op de beweging die nodig is in een kwalitatieve galop.

Door sprongvormen bewust in te zetten, kun je de galopbeweging beter zichtbaar, voelbaar en stuurbaar maken. De hond wordt als het ware uitgenodigd om de juiste volgorde te gebruiken: opvangen met de voorhand, de rug bollen, verzamelen, de achterhand onderbrengen en krachtig afzetten.

Het voordeel van werken met de sprongbeweging is dat je de beweging kunt bijsturen en trainen. Je kunt de hond helpen om ronder te bewegen, compacter te verzamelen en gecontroleerder af te zetten. Zo wordt de galopbeweging niet alleen geoefend, maar ook verfijnd.

Trainen met aandacht voor kwaliteit

Bij het trainen van de galopbeweging draait het steeds om kwaliteit boven kwantiteit. Het is niet de bedoeling om veel herhalingen te doen zonder controle. Juist korte, goed uitgevoerde oefeningen zorgen ervoor dat het lichaam de juiste beweging leert herkennen en opslaan.

Elke herhaling moet bijdragen aan een betere coördinatie, meer lichaamsbewustzijn en een duidelijkere bewegingsvolgorde. Wanneer de hond de beweging technisch goed uitvoert, kun je geleidelijk meer snelheid, kracht of complexiteit toevoegen.

Tot slot

De galopbeweging trainen betekent dat je werkt aan een specialistische, goed georganiseerde beweging. Elk onderdeel van het lichaam heeft daarin een eigen functie: de voorhand vangt op, en maakt ruimte , de rug helpt bij het verzamelen, en de achterhand zorgt voor een krachtige afzet.

Door eerst de juiste beweging aan te leren en daarna te automatiseren, ontwikkel je spiergeheugen en handelingssnelheid. De sprongbeweging is daarbij een waardevol hulpmiddel, omdat deze de galopbeweging zichtbaar en trainbaar maakt.

Een goed getrainde galop ontstaat dus niet door alleen harder te gaan, maar door bewust te werken aan coördinatie, lenigheid, kracht en controle. Vanuit die basis kan de hond steeds efficiënter, krachtiger en veiliger bewegen.

Geef een reactie